Top

Nieuwe regels rondom boeteberekening bij inlossen hypotheek

Veel huizenbezitters hebben de achterliggende jaren vanwege de lage rentestand besloten vervroegd af te lossen op hun hypotheek of de bestaande hypotheek over te sluiten. Hiervoor werd door de lage rentestand veelal een vergoeding in rekening gebracht. Deze vergoeding, de zogenaamde boeterente, mag sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Europese Hypothekenrichtlijn (MCD), niet groter zijn dan het daadwerkelijke financiële nadeel dat aanbieders daardoor hebben. Ook moeten aanbieders hun klanten duidelijk uitleggen hoe de vergoeding is berekend. Vorige maand heeft de AFM in een leidraad 4 uitgangspunten voor aanbieders geformuleerd om duidelijk te maken op welke wijze voldaan kan worden aan de nieuwe regels.

 

De te betalen boeterente mag niet meer bedragen dan het werkelijke financiële nadeel van de aanbieder. Uit de toelichting op artikel 81c BGfo (Besluit Gedragstoezicht financiële instellingen) blijkt daarnaast dat de berekening transparant en eerlijk moet zijn. De uitgangspunten zijn zo geformuleerd dat wanneer er geen rekening wordt gehouden met deze uitgangspunten bij de bepaling van het financiële nadeel, de aanbieder waarschijnlijk in strijd met artikel 81c BGfo handelt. Een aanbieder kan afwijken van de uitgangspunten zolang de totale berekening transparant en eerlijk blijft en de vergoeding niet hoger is dan het financiële nadeel van de aanbieder. Uiteraard kan de aanbieder altijd in het voordeel van de klant van deze uitgangspunten afwijken, zolang aan alle overige wettelijke eisen wordt voldaan.

 

De vier uitgangspunten zijn:

 

De boetevrije ruimte

De boeterente voor de vervroegde aflossing van de hypotheek wordt bepaald op basis van het totale bedrag dat de klant vervroegd wil aflossen, verminderd met het bedrag dat de klant op dat moment contractueel boetevrij mag aflossen. Dit is meestal 10% van de oorspronkelijke hoofdsom en bij sommige hypotheekverstrekkers maximaal 20%.

 

De vergelijkingsrente

Voor het bepalen van de vergelijkingsrente gebruikt de aanbieder de contractrente van een hypotheek met een looptijd vergelijkbaar met de resterende rentevaste periode.
In de praktijk bieden aanbieders een beperkt aantal rentevaste perioden van hele jaren aan. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor gebroken resterende jaren en niet veel voorkomende rentevaste periodes geen vergelijkingsrente beschikbaar is.
Als er geen vergelijkbare vergelijkingsrente beschikbaar is, mag de vergelijkingsrente niet ten nadele van de klant worden bepaald. De aanbieder kan invulling geven aan dit uitgangspunt door de vergelijkingsrente te berekenen op basis van de hoogste naastgelegen rente (‘naast betere rente’) horend bij dezelfde hypotheekvorm.

 

Impact ‘Loan-to-Value’

De boete voor vervroegde aflossing mag niet hoger uitvallen door een inconsistente toepassing van de Loan-To-Value (LTV) bij het vaststellen van de vergelijkingsrente ten opzichte van de contractrente.
De aanbieder kan aan dit uitgangspunt invulling geven door bij het bepalen van de contract- en vergelijkingsrente consistent met de LTV-opslag om te gaan. Bijvoorbeeld als de LTV is gedaald gedurende de looptijd van de hypotheek, maar de contractrente hier niet op is aangepast. In dat geval moet de aanbieder de vergelijkingsrente volgens dit uitgangspunt bepalen aan de hand van de LTV waarop die contractrente is gebaseerd.
Andere op- of afslagen moeten ook op deze consistente wijze worden toegepast. Wanneer er bijvoorbeeld een huisbankkorting in de contractrente zit moet deze ook terugkomen in de vergelijkingsrente.

 

Contractueel aflossingsschema

De afgesproken toekomstige aflossingen van de klant worden meegenomen in de berekening van de vergoeding. Hierbij wordt uitgegaan van het contractuele aflossingsschema op het moment van vervroegd aflossen.
Op basis van de hypotheekvorm (annuïteiten of lineair) heeft de klant namelijk een afspraak met de aanbieder gemaakt om aflossingen te doen gedurende de looptijd volgens een Contractueel aflossingsschema.
Bij (bank)spaarhypotheken heeft de klant een afspraak met de aanbieder gemaakt om te sparen gedurende de looptijd volgens een contractueel opbouwschema. Indien de aanbieder niet uitgaat van het contractuele aflossingsschema, maar van een nieuw aflossingsschema, zorgt dit voor een hogere vergoeding. Bij (bank)spaarhypotheken moet de (toekomstige) contractuele kapitaalopbouw in de spaarrekening als (fictieve) aflossing worden beschouwd. Dit betekent dat de hypotheekaanbieder uit moet gaan van de “netto hypotheek”.

 

Omdat de nieuwe regels vanaf 14 juli 2016 gelden, verwacht de AFM dat hypotheekverstrekkers de boeterentes die door huizenbezitters sindsdien zijn betaald, opnieuw berekenen.
Als blijkt dat de klant een te hoge vergoeding heeft betaald, moet het verschil worden terugbetaald. De uitgangspunten zijn niet van toepassing op boeterentes die zijn betaald voor deze datum.